|
HISTORIE VAN BROER CORNELIS ADRIAENSEN VAN DORDRECHT (1569)
[1]
Tekstuitgave door Johanna Fenyn en Dirk Smout
Het is de bedoeling om de volledige tekst van de preken van
de legendarische Broer Cornelis hier in transcriptie uit te
geven. Sinds in 1714 de laatste druk van deze beroemde
zestiende-eeuwse satire verscheen, heeft niemand zich ooit
aan een heruitgave gewaagd. Aangezien K. Bostoen en M. van
der Wal - blijkens een mededeling in Literatuur 1
(1984), 254 - bezig zijn het eerste stuk van de
Historie uit te geven, namelijk de zogenaamde 'Discipline
der devotarigen', geven wij hier de tekst van de preken die
in de oorspronkelijke uitgave onmiddellijk daarop volgt.
Samenvatting van wat aan de 'Sermoonen' voorafgaat
In de 'Discipline der devotarigen' of geseling der vrome
vrouwen wordt een duistere periode uit Broer Cornelis' leven
beschreven, die loopt van 1548 tot 1563. In die periode
floreerde te Brugge Broer Cornelis' geheime genootschap van
vrome vrouwen die maagdelijkheid als ideaal hadden. Toch
stond het genootschap ook open voor getrouwde vrouwen, maar
die moesten proberen hun lustgevoelens te onderdrukken zonder
aan hun huwelijksplicht te verzaken. Wanneer dit niet lukte,
werden ze 'gedisciplineerd' d.w.z. ze moesten zich uitkleden
en Broer Cornelis om de geselstraf verzoeken, die hij
vervolgens min of meer symbolisch toediende. Dit overkwam ook
de maagden en de weduwen van het genootschap die hun seksuele
aanvechtingen aan de minderbroeder in de biecht te kennen
gaven. De praktijken van het geheime genootschap werden
openbaar doordat Broer Cornelis tegen een paar van de
genootschapsleden zeer ontactisch was opgetreden. Een
gerechtelijk vooronderzoek door de Brugse stadsregering
leidde tot een verbanning van Broer Cornelis naar het
minderbroedersklooster te Ieper. Maar doordat hij bekend
stond als een kampioen in de strijd van de katholieke
havikken tegen de opkomende ketterijen, nodigden zijn
medestanders hem opnieuw uit om te Brugge te komen preken. In
die preken keerde hij zich voral tegen de slappe houding van
de ersmiaansgezinde overheid te Brugge op het punt van de
ketterijbestrijding.
In de preken is er sprake van een dubbele satire. Op
spottende, vaak platte toon trekt Broer Cornelis van leer
tegen de misstanden, terwijl de auteur van de Historie
hem op zijn beurt te kijk zet door zijn commentaar en
opmerkingen in de marge en door de manier waarop hij de
preken van de minderbroeder weergeeft. Zowel die auteur als
Broer Cornelis treden dus op als elkaar bestrijdende
satirici. Het hoeft geen betoog dat de eerste, een overtuigd
erasmiaan, steeds als winnaar uit die woordenstrijd te
voorschijn komt.
Verantwoording van de tekstuitgave
De letters "u", "v", "i" en "j" worden in de transcriptie
aangepast aan het moderne Nederlands gebruik.
De letter "w", zoals in `wtspraak', wordt in de transcriptie
weergegeven als "uu" (`uutspraak'). Het bezittelijk
voornaamwoord `vvs' is getranscribeerd als`uws'.
De Duitse komma is overal vervangen door het moderne
Nederlandse equivalent, en waar het nodig is, is de
interpunctie aangepast aan modern gebruik.
Het woord na de punt die een regeleinde aangeeft, begint in
de transcriptie steeds met een hoofletter.
Abbreviaturen zijn stilzwijgend opgelost en indien het de
tekstediteurs wenselijk leek, is de alinea-indeling
aangepast.
De tekst begint op pagina 36r van ex. KB Brussel II 76.483
A. Het paginanummer van de originele bladzijde wordt aan het
begin van elke pagina tussen vierkante haken aangegeven.
HIER BEGHINNEN DE SERMOONEN van B. Cornelis naer zijn
wedercomste van Yperen te Brugghe; inde welcke hy is
uutspughende den grooten haet, die hy nu dry Jaren lanck
tegen den Magistraet van Brugghe in zijn herte gedragen
hadde, met noch veel andere afgryselicke, abominable, enorme
redenen, propoosten, ende leughenen teghen der Calvinisten,
Lutherianen, ende Doopers Predicatien.
Int Jaer .1566. als b. Cornelis noch gheen volle drij Jaren
wech geweest hadde, ende zijn hert ende sin uutermaten seer
tot die stat van Brugghe was genegen, hopende oft meenende
oock dat die fame van zijn voorverhaelde disciplineren der
vrouwenpersoonen, vergeten ende verstorven soude zijn, so
heeft hy hem verstout wederom van Yperen naar Brugghe te
comen, tegen het verbot van synen Gardiaen. Want als de
Gardiaen hoorde dat b. Cornelis ghereetschap maecte om
wederom onbeschaemdelic naer Brugge te comen, so heeft hy hem
eenen brief op den wech int ghemoete ghesonden, hem daer in
gebiedende op alle gehoorsaemheyt tot Yperen te blijven. Maer
b. Cornelis hier op niet passende, is voort tot Brugghe in
zijn Clooster ghecomen, ontrent der halver maent Februarii,
met groote verwonderinge bynaest van alle menschen, ende met
bedroeffenisse van veel eerbare lieden, de welcke haer-lieden
selven van zijn leelickheyt waren scha- [36v] mende,
ende te meer om datmen seyde, dat hy wederom prediken
soude. Mits dat b. Cornelis nu voor hem ghenomen hadde (somen
wel mercken conste) synen inwendigen haet (dien hy nu drij
Jaren met groote smerte, pijne, ende bitterheyt teghen den
Magistraet ghedragen hadde) in alle zijn sermoonen terstont
te baren, oft te laten uut bersten, so quam hem hier toe
rechts seer wel te passe de groote oneenicheyt, oft den
twist, die tusschen den Magistraet ende den Inquisiteur nu
eenen tijt lanck gheduert hadde, om het vanghen van veel
persoonen, die inde religie suspect waren, ende om sommige
nieuwe ongehoorde tyrannige articulen, die den Inquisiteur
wilde inbrengen, teghen de privilegien ende vryheden der
borgelicke Rechten van Brugge, waer inne hem den Magistraet
seer ernstelick ende treffelick wederstonde.
B. Cornelis nu meenende dat hem dit oorsaecke ghenoech was
om vryhertich ende stoutelick plat uut sonder ophouden te
fulmineren, te donderen, ende te blixemen tegen den
Magistraet, quam telcken male al gestoort opden predickstoel,
een seer leelick gram aensichte toonende, die onderste lippe
metten tanden inbytende, ende de kinne uutstekende, met
alsulcke propoosten als hier volghen sullen.
Den .24. Februarii begonste B. Cornelis te predicken,
twelcke was den eersten dach van de Vasten, in S. Salvators
Kercke, daer [37r] hy de geheele Vasten predickte.
Ende naer dat hy synen theem gheeyndet hadde, seyde hy: Ba,
ghy Wethouders, oft ghy Magistraet van Brugghe, ou, my dunct
dat ghijt tegen yegelicken soeckt int verwerde, oft int
crackeele te stellen. Ba, eerst wast tegens my te walgen ende
te balgen, twelcke Godt noch int helsche vier met brandende
peck ende sulfer wreken sal. Maer nu isser een ander
wedersparricheyt, so ick versta, te weten: dat ghy u opricht
oft stelt tegen de helige Inquisitie, of teghen den
Inquisiteur. Ba, sijt ghy sot, of sijt ghy dul? Ba so siet!
Ba toocht doch eens dat ghijt meent! Ba stelt u eens te recht
tegen de Inquisitie. Ja stelt u met eenen tegen de
Coninclicke Majesteyt, ja stelt u nu voorts teghens Godt, vry
als mannen. Ou, ba, dat zijn mannen, ba so siet! Ba ick
belove u dat ickt niet verswijgen sal, in spijt ulieder
bachuys. Ou, en heeft de Co. Ma. in October lestleden uut
Spanjen niet geschreven, dat hy zijns Vaders ende zijns selfs
Edicten of Placaten opt fait van de heresien, seer
strangelick wilt onderhouden hebben, beclagende deur dien
datmense niet strangelick genoech onderhouden heeft, dat
sulcx oorsake is, dat de sectarisen in syne Majesteyts landen
dus verde ingebroken zijn; ende daerom wilt, datmen den
Inquisiteur alle assistentie of hulpe doen sal, int vangen
van de heretycken? Ja, verstady dat wel, ghy Magistraet oft
Wet- [37v] houders van Brugghe? en beyd! en beyd! Men
sal u wel leeren teghen den Inquisiteur rebelleren, botte
indiscrete Esels, als ghy sijt. Ou, wat meendy? Of wat laet
ghy u duncken? Ba, de Co. Ma. wil oock in den selfden brief,
datmen het helige Concilie van Trenten met alle neersticheyt
onderhoude. Ou, en ghy soudt u gaen oprechten of stellen
tegen de Inquisitie en tegen de Inquisiteur? Sonder de welcke
doch gheensins moghelick en is het helighe Concilie
neerstelick te onderhouden. Ba, ter goeder trouwen, hoe wilt
ghy doch het helich Concilie ter executie legghen, of wel
doen onderhouden, of achtervolgen sonder Inquisitie of
Inquisiteur? Ou ba, dit is doch al ten grooten
beestachticheyt. Ba fy, het schijnt dat ghy gheen verstant
noch reden met allen en hebt: en waer met moeydy u dan? Ba,
ic wilde emmers gheerne weten, of hooren, deur wat ander
middel dat ghy u ketters, u Lutheranen, u Calvinisten, u
Herdoopers, en u ander sectarisen of heretycken, daer u stat
van Brugge vol af es, uut royeren wilt, of tot gehoorsaemheyt
van onderhoudinghe des helighen Concilie, soudt connen
dwingen? Ba, wat sijt ghy dan voor onverstandighe beesten? Of
sijt ghy selfs heretycken? Wat schuylter, he? Ou, soude icket
bynaest wel raden? En beyd! en beyd! daer sal corts al anders
in voorsien werden, dat belove ic u. Want de Co. Ma. wilt
oock in den selfden [38r] brief, datmen die
Magistraten, Oficiers, ende Schouteyten, of Baillius, die te
scrupuleus zijn om die heretyken te dooden, of de ghene die
bevreest zijn voor beroerte vande sectarisen, datmen die uut
de Magistraten doen sal ofte af setten sal, ende stellen
ander in haer plaetsen; mits datter goede Catholicken mannen
ghenoech zijn in zijn Majesteyts landen, die gheerne justitie
over de ketters doen sullen, en sonder vreese, verstady dat
wel, ghy Magistraet of Wethouders van Brugge, ende
principalick ghy Pensionarisen, ghy Bufetters (also noemde hy
nu voorts altijt die Pensionarisen, Greffiers, ende Raet van
der stat), hoe klinct u dat in u ooren? Ja, en beyd! Ic sal u
noch wel anders te keer gaen, dat ic so sal.
Den .3. dach Martii, twelc was den eersten Sondach inde
vasten, spooch b. Cornelis in zijn sermoon seer veel
schandelicke blamatien ende injurien uut op de Pensionarisen
der stat van Brugge, seggende: en beyd! en beyd! Het salder
nu corts mette sommige al bekact en bescheten uutcomen. Hier
zijn sommige vuyle, vorte gecorrumpeerde stinckende leden,
gelijck ic heb beginnen te seggen, diemen nootsakelick als
een smettende peste, of als een etende cancker behoort af te
snijden, eer dat het geheele corpus of lichaem vanden
Magistraet deur alsulcke fenynighe corruptien ontstict ende
ganschelick bedorven wert, te weten: sommige Pensionarisen,
Greffiers, of Bufetters, [38v] principalick de ghene
die in Vranckrijcke ter studien gelegen hebben, ende aldaer
het fenijnt soch uut die borsten van Johannes Calvinus
gesogen hebben. Want dat zijnse die my het meeste lijden, of
het grootste schimp, verdriet, ende leet aen gedaen hebben,
mits die vermaledijde informatie over my te houden. Ba, ende
dat zijnse oock die het geheele corpus vanden Magistraet dus
ophitsen en optitsen, of dus wedersparrich weten te maken
tegen die helige Inquisitie en tegen mijn Heere den
Inquisiteur. Hier mede wilde hy sommighe Pensionarisen ende
Greffiers odieus of suspect maken, hopende of meenende dat
sij daer deur van heurlieder officie verlaten ende afgeset of
uutgesteken souden worden; want desergelijcke propoosten
seyde hi seer dicwils, ja bynaest in den meestendeel van zijn
sermoonen deur de heele vasten, ende noch naermaels.
Den .12. dach Martii stampiede ende schabraude b. Cornelis
in zijn sermoon met seer veel schimpighe, spottige
lasterwoorden ende scheldingen op den Magistraet,
seggende: Ba, ghy Wethouders van deser stadt van Brugghe, wil
ick u segghen: ghy sijt meest al gheveynsde Catholijcken, oft
dobbelde Kerstenen, ende al lieden met twee aensichten, veel
argher en schadelicker dan de openbare heretycken of ketters
selve: want men en can u aen het vel of aen die huyt niet
gheraken [39r] noch ghecomen, hoe datment oock maect,
men en heeft aen u niet; het is met u al mondeken toe
buerseken toe. Maer met die andere die heurlieden openbaeren,
ba, daer mede weten wij raet, ghelijcket schijnt met die twee
verharde ketters, die daer ghister op den Burcht om
heurlieder heresie of Calvinisterie verbrant werden. Ba, ick
versekere u: hadde de Camer vant Collegium des Magistraets
niet geleect, als den eenen nu lest ghevanghen wert, daer
soudender noch wel meer deur te spelen geweest zijn, maer
deur het leken van de Camere, gerochten sy wech. Och wij
wetent so wel, het wert ons al gheseyt, het comt ons al
thuys. Hy beghonste sommighe van den Magistraet so
particulierlick, of so bisonder met lasterlicke blamatien aen
te tasten of te roeren, datmen wel seer lichtelick mercken
ende verstaen conde, wien dat hy meende, segghende, als hy al
uut gheseyt hadde: ba, dien moste ic noch die cladde aen zijn
gat hangen. Neen, ick sal my noch metter tijt wel wreken aen
mijn vianden, die mijn partye so hart ende so strange zijn
gheweest in die duvelsche Informatie over my te beleeden.
Den .27. Martii, het welcke was swoensdaechs naer half
Vasten, begheerde de Bisschap van Brugge aenden Magistraet,
dat sij hem souden behulpelick zijn, om het volck te dwingen
datse te biechten souden comen, [39v] ende daer
heurlieder namen laten beschrijven, ende briefkens ontfangen,
die sij naer Paeschen souden moeten brengen aen heurlieder
Parochipape of Pastoor, om daer mede te betuyghen datse te
biechten ende ten Sacramente geweest hadden. De Magistraet en
wilde den Bisschop in dese groote nieuwichheyt niet
ghelieven, sorgende, oft vreesende, dat daer deur groote
murmuratie ende verbaueriertheyt onder tghemeene volck soude
comen, de welcke meenen souden dat dit de Spaensche
Inquisitie ware, daer men so langhe van ghemurmelt
hadde. Hier hadde B. Cornelis weder nieu stoffe of materie om
hem gruwelick en afgrijselick te hebben, also hi
tsanderdaechs oock in zijn sermoon dede, seggende: ba,
goeliens, nu is hier wederom den duvel te coopen met desen
wedersporrigen Magistraet van Brugge. Ou, men cander doch hot
noch hau met. Ba, ic soude wel uut mijn vel springen! Ou, ba,
ic soude wel vier spugen, so ben ic gestoort en vergramt. Ba,
het is onverdragelick! Ja Jesus Maria, en sal hier gheen raet
toe zijn? Salmen dus al moeten doen of laten dat sij
willen? Ba, dat ick Bisschop ware, ick en soudese niet eens
willen aensien. Neen, daer soude ick te crul toe wesen, en
ick soude wel middel vinden om tvolck te dwinghen te biechten
ende ten sacramente te commen, dat belove ick u. Maer het is
seker al Bisschopkens werck. Ja, seggen [40r] de
sommighe, Pater Corneli, wat wilmen tvolck met force dwingen
ten sacramente te comen? Ten mach also niet gedaen zijn, want
sij connen het sacrament ooc wel in snutdoecken wederomme
bringen, en hangent aen den rinck van de Prochipapens deure,
en schrijven daer brieven by, als dat sijt onder beyde
specien willen hebben, gelijck hier tjarent tot S. Wouburge
is gebeurt. Ja, ist waer? Ba, daer soude ick ooc al wel raet
toe weten, om dat te beletten. Ou, ba, ic soude aen elc eynde
vande tafele goe degelicke Catholicke mannen stellen, die
seer wel ende nau toesien souden ofter yemant het sacrament
meer soude uut zijn mont vaghen aen een snutdoeck.
Siet, het is al verloren geseyt: wilmen hier in dese sake
anders niet leven, of anders niet doen, ende laten een
yeghelick ghelooven of niet ghelooven dat hem goet dunct, of
dat hy wilt, ba, so ist al verloren Concilium ghehouden. Ba,
so en ghave ick voor het helighe Concilie van Trenten, daer
men so lange met heeft besich gheweest, niet een mispel.
Den .12. April, alst goeden vrydach was, predicte
b. Cornelis de Passie Christi, ende als hy daer mede
ghecommen was tot daer die Joden riepen tot Pilatum:
cruyst hem, cruyst hem! Want wij hebben een wet, ende na die
wet moet hy sterven! So seyde hy: ba, goeliens, hoe wel
dat ons Heere eenen onnooselen, of een onschuldigen doot
aenghedaen wert, [40v] soo hoort ghy en verstaet
nochtans daer uut wel, datter altijt wetten of rechten zijn
ghe-weest om die heretijcken te dooden. Ou, en dan wilmen
hier de Edicten of Placaten te nieten gedaen hebben. Ba
Jesus, wat een maledictie datter nu over dese Nederlanden
helt of vallen wilt. Ba, gebenedide moeder Gods, en of Keyser
Carlus ooc noch leefde, ende dese farce saghe, van zijn
tsamengeconfereerde Edellieden, die daer heden acht daghen
een request aen de Gubernante hebben overgegheven tegen de
Inquisitie ende tegen de Placaten, die hy met so goeden,
rijpen, langhen, voorsichtighen raet ghemaect hadde, om de
sectarisen of de heresien uut te roeyen! En die soudemen nu,
ba nu sij aldermeest van nood zijn, moeten te nieten doen? Ba
goeliens, siet doch eens om de Passie Gods, die ic nu
predike, waer mede dat wij doch nu moeten gheplaecht
zijn. Ou, ba, dese beroyde magher Jonckerkens, nu sij geheel
bachten nat zijn, nu sijt al deur de billen ghelapt, al
verloopen, al verhoert, al versnoert, al vercust, al verlect,
al verschoct, al verbordeelbroct, al vertuyst, al verspeelt,
al verdobbelt, al vertriumphiert, ende al vertureluert
hebben, nu en weten sij niet waer sijt wederomme soecken
willen! Ba, ou, sietse my doch eens commen, ist de Geusen
datmense heet? Dese Duytschen, dese leren eersgaten, die hier
commen, ende en hebben nauwelick een beroesten naghel om
heurlieder [41r] schijtgat te crauwen, ende meenen
hier nu ooc een veranderinge inde Religie te maken, om also
aen nieu goet te geraken. Ba, hadden sij doch het
Kerckengoet, der Papen goet, ende het Clooster goet van dese
landen nu ooc in heurlieder clauwen! Want, eylacen, het
Kercken goet, der Papen goet, ende het Cloostergoet van
Duytschlant, is al over lanck achter deur ghejaecht. Ba, sij
moeten nu toesien om elders meer te crijgen. Ou, sij moeten
comen besien of hier in dese Nederlanden niet en schuylt. Ba,
tjan sij en hebbens byloo niet qualick voor! Ba, mochten sij
so met een requestken daer aen gheraken! Ba, siet waer met
dat wij ghequelt zijn.
Den .21. April, dwelck was tSondaechs naer Paeschen,
predicte b. Cornelis wederom in zijn Clooster, ende mits dat
binnen twee of drij dagen te voren die Copien vande Requesten
uutgecomen waren, die de staten van Vlaenderen aen de
Gubernante hadden ghepresenteert of overghegheven, tegen de
Inquisitie ende andere beswaernissen der placaten opt fait
van de heresien. Het welcke sij deden ontrent de selve tijt
dat sommige Edellieden heurlieder Request om de selve sake
ooc ghepresenteert hadden, ghelijck int voorgaende sermoon
gehoort is. Daerom heeft hem b. Cornelis beghinnen te hebben
ghelijck een mensche die metten boosen gheest beseten is,
schreuwende, crijsschende, smytende, stam- [41v] pende
of springende ende roepende in synen predickstoel: ba, heb
ickt niet wel gepeynst dat hier te Brugge wederom int
heymelicke wat quaets of bedriegelicx schuylen moste onder
die Magistraten, twelcke sij so bedectelick en so
geveinsdelick, of so gestolen handelden, dat niemant weten
noch mercken mochte? Hey snoo valsche deurtrocken ghesellen,
als ghy sijt! Wat wildy doch al spartelen met u vermaledijde
Requesten tegen die helige Inquisitie, ende tegen die helige
Placaten? Ou, wat wildy doch al conspireren teghens God, ende
tegens al dat Goddelick is? Ba fy, schaemt u, ghy arge
listige generatie! Ba, wat duvel gaet u doch nu over? Ou,
ba, waer met moeydy u? Jesus, wie hoorde oyt aldusdanigen
betoovertheyt, uutsinnicheyt, ende dullicheyt, als u nu over
gaet, dat ghy teghens die Placaten wilt conspireren? Ja
wasset dat, daer den Magistraet van Yperen so qualick of so
swaerlick toe te bringhen was? Ba, ick gelooft seer wel. Het
wert my ter dier tijt seer claerlick of merckelick geseyt van
treffelicke persoonen, die by my quamen, ende seyden: Och,
Pater Corneli, hier moet wat vremts schuylen: want dese vier
Leden van Vlaenderen ligghen hier en tracteren so secretelick
met malcanderen, datmen niet en can ghemercken noch ghewaer
worden, wat duvel datse al brauwen mochten. Het is yet dat
onsen Magistraet van Brugge allereerst gepractiseert
[42r] heeft, datse die ander drij Leden of Magistraten
voorhouden, waer toe datse den Magistraet of het Let van
Ypren seer qualick of swaerlick connen bringen, want die van
Ypren makender seer groote swaricheyt in. Och, goeliens, ba,
sij mochtender vryelick wel swaricheyt in maken! Ick duchte
sij sullender noch allegelijck heur hooft om crauwen, en
principalick ghy Magistraet van Brugge, want het zijn meest
van u losse schalcke deurtrocken vonden. Ja het zijn rechts
van u listighe dobbelde practykige treken, daer ghylieder die
andere Leden of Magistraten mede vertreyfelt en verduvelt
hebt; eerst die vanden Vryen, ende die van Ghent, daer naer
die van Ypren, daer ghy groote moeyte en travail mede gehat
hebt, eer die daer in hebben willen consenteren, of
heurlieden hebben connen voeghen, om in alsulcken enorme of
ongoddelicke sake met u lieden te doen. Ba, het is doch nu al
uut ghecomen en gheopenbaert. Ou, maer wie duvel heeft u
lieden doch so outerquidant, so outragieus, of so stout
ghemaect, dat ghy sulcx hebt derren bestaen? Ba, ghy toocht
emmers nu wel eens te recht plat uut dat ghijt meent. Ba,
stelt nu vry met eenen voort alle ketters, heretyken,
verleyders, bedrieghers, ja Gods gesworen vianden geheel in
liberteyt, om het Kersten geloove eens teenegare uut te
roeyen, op datter niet met allen over en blijve, daermen
hier- [42v] naermaels by bemercken can, dat wij in
dese landen Kerstenen geweest zijn. Ou, ba, wildy dat gat
uut, so weet ick u raet! Ba, roept maer alle de Turcken,
Sarasynen, ende de Joden int lant, sij sullen u het Kersten
geloove wel opt corte quijt helpen. Ba so siet! Ba doet dat,
so hebt ghijt vulcken of haest also ghijt gheerne hat! Ba fy,
schaemt u en beschijt u! Waer met moeydy u? Ba, ick en ben
noch Propheet, noch Propheets kint, maer siet wat datter u af
comen sal! Ghy hebbet nu wel verdient, en sijt wel weert, dat
u nu alle plagen, alle evelen, alle verdriet, alle ellende,
alle jammer, alle catyvicheyt, alle miserien, ja alle
vloecken ende maledictien over u lieder hals comen moeten. Ba
so siet!
[wordt vervolgd]
|